26 jaar geleden werd ik geboren, vernoemd naar een koe, en startte ik mijn leven als boerendochter. Niet meteen natuurlijk – zelfs landbouwers hebben nog het geduld om te wachten tot een baby zelfstandig rechtop kan zitten. Mijn ouders hadden oorspronkelijk beslist dat mijn naam Laurie zou zijn, tot mijn moeder een of ander veeteeltmagazine in haar handen kreeg, en daar het glorieuze beest Laurien zag staan. Soms heeft ze nog het lef zich af te vragen waarom ik niet eleganter ben, maar de ironie lijkt haar te ontgaan. Hint, het antwoord begint zelfs met die extra -n: Noem je kind dan niet naar een gigantische viervoeter, Nadine. Ergens ter wereld loopt een lichtvoetige Laurie rond, zwevend over de voetpaden als was ze gewichtloos, nog nooit van haar leven in een stront getrapt. Ik zou niet met haar willen wisselen. Ik hou niet van sandalen en een positieve kijk op de dingen.

Vorige week was ik jarig. Normaal gezien maak ik van die gelegenheid gebruik om te reflecteren op het jaar en op te scheppen over alle manieren waarop mijn leven zo fucking fantastisch is, maar het moet nog even wachten. Over het algemeen heb ik het altijd jammer gevonden dat mijn verjaardagsreflecties zo dicht bij mijn jaarreflecties geschreven moeten worden, maar ‘t is niet zo dat mijn schrijfsels anders zo bescheiden zijn, dus je overleeft het wel. Zelfs tijdens een pandemie heb ik geblogd alsof mijn leven de moeite waard is. Talent heet dat. 

Een tweede normaal gezien is dat ik andere jaren altijd een geweldig groot spel maak van mijn verjaardag. Ik denk dat de correcte uitleg ‘enig kind met narcistische persoonlijkheidsstoornis’ is, maar zolang geen erkend professional dat schriftelijk bevestigt, houden we het op ‘enthousiast over ballonnen en taart’. Deze zesentwintigste editie van Lorres levensfeest was echter iets minder extravagant, al kan ik niet beweren dat er geen kak aan gehangen werd. Ik ben de afgelopen twee weken thuis geweest op de boerderij om een beetje bij te springen, en ik moet zeggen, niets leuker dan op je verjaardag om kwart voor zes op te staan en begroet te worden door een stal vol koeien die het absoluut niks kunnen schelen. Ik heb het gelukkig wel leuk kunnen vieren met mijn vader, die voor de gelegenheid extra klusjes bovenhaalde omdat ik, en ik quote: “altijd maar blijf vragen of ik iets kan doen.” Mijn pa een lezing kunnen geven over wat een loos gebaar is, was dan wel weer een leuke verrassing. Na een frisse ochtend hard werk ontbijten met ons drietjes was eigenlijk het mooiste feest dat ik had kunnen wensen. Dat, en een echt feest met mensen, drank en cadeaus, natuurlijk.

Er bestaan veel misverstanden over boerendochters; dat we wild zijn, vlechten in onze lange haren dragen, dat we met lange rokken op krukjes zitten, en dat we ongelofelijk mooi zijn. Ik weet niet of die laatste zo algemeen verspreid is, maar bij dezen. Zelf herken ik me niet in al deze eigenschappen, al ben ik natuurlijk trots om te vertellen dat ik weet hoe je een koe met de hand melkt (het geheim is trekken én knijpen) en valt het niet te ontkennen dat ik zomaar het liefdeskind van Blake Lively en Kate Winslet zou kunnen zijn. Wild ben ik nooit geweest, al is het per se willen nastreven van een job in de creatieve sector nu ook niet niet-wild – en misschien beland ik zo alsnog op de hooizolder, maar dan met heel mijn hebben en houden in plaats van een bevallige boerenzoon. Mijn delicate stadshandjes zijn intussen weer wat verruwd, dus uiteindelijk ben ik maar een lange rok en een paar vlechten verwijderd van een carrièreswitch. 

Mijn allerfavorietste boeren-veronderstelling is echter dat mensen ervan uitgaan dat landbouwers rijk zijn. Ooit ging ik op date met een kerel die zei dat ik veel geld heb, en ik moet zeggen, ik hoop zo hard dat het waar is. Persoonlijk denk ik dat het een mythe is, een verhaaltje verzonnen door mensen die ze niet allemaal meer op een rijtje hadden, of door zij die een experiment deden om te kijken hoeveel ze anderen eigenlijk wijs kunnen maken. Wie kijkt er nu ook naar de werkers die voor zonsopgang starten, een riek vergroeid aan hun hand, het constante geloei van dieren in hun oren: “Ah ja, dat zullen gegoede mensen zijn, de boergeoisie als het ware.” Ik heb veel dingen geschept de afgelopen twee weken, en in aflopende volgorde van hoeveelheid was dat frisse lucht, maïs, schaafsel, stront, melk, maar geen ervan was koude, harde cash. Anderzijds heb ik weer veel liefde, warmte, en mooie momenten mogen beleven, dus ik ben ook niet niet-rijk.